Mammoeten, ook bekend onder hun geslachtsnaam Mammuthus, de 'Mammonshoorn', lijken misschien een pluizige olifant, maar de puberteit heeft deze zwaar getroffen. Net als zijn moderne neven waren mammoeten behoorlijk grote wezens, waarvan de grootste vier meter hoog werd en een gewicht van acht ton had. Beide geslachten hadden lange, gebogen slagtanden, in tegenstelling tot hun moderne familieleden. Legenden en mystiek omringden de mammoet al in de 17e eeuw, want velen beweerden de mammoet in al zijn harige glorie te hebben gezien. Dankzij het koude klimaat zijn mammoeten ongelooflijk goed bewaard gebleven, en sommige lichamen bloeden zelfs bij het uitgraven. De mammoet leefde van het Plioceen tot het vroege Holoceen en wandelde bijna vijf miljoen jaar lang over de aarde door Noord-Amerika, Europa en Azië. Afhankelijk van de locatie verschilden de diëten van mammoeten van elkaar, maar waren ze verenigd in hun liefde voor planten. Ze moeten een aantal gemene tuinen hebben gehad. Amerikaanse mammoeten waren grazers die zich voedden met bomen en struiken; anderen aten kruiden en grassen. Baby-Siberische mammoeten aten de mest van de volwassenen vanwege de zachte melktanden die op dat moment nog geen gras konden kauwen. Klimaatverandering en overbejaging worden verantwoordelijk gehouden voor het uitsterven van dit harige wezen. De wetenschap zou echter nog kunnen bewijzen dat het uitsterven van de mammoet niet voor eeuwig hoeft te duren, aangezien de inspanningen om de uitsterving uit te roeien zich vooral richten op de mammoet.